Gerrit Komrij

Een gebergte in de naoorlogse Nederlandse literatuur, dat kun je Gerrit Komrij met een gerust hart noemen. Hij was een alleskunner en is door velen geroemd bij zijn uitvaartplechtigheid in Felix Meritis op 14 juli van dit jaar. Hij werd daar vooral herdacht als een LIEVE man, die veel heeft gedaan en betekend voor jonge dichters. Ramsey Nasr als ex-Dichter des Vaderlands schreef voor de allereerste Dichter des Vaderlands een ontroerend afscheidsgedicht. Hoe belangrijk Komrij voor hem is geweest, werd wel duidelijk aan de moeite die Nasr had om het voor te lezen zonder in snikken uit te barsten. Voor buitenstaanders die Komrij alleen kennen van zijn dodelijke stukjes over de ‘treurbuis’ die hij in 1976 op de Achterpagina van de NRC schreef, was die lieve kant een openbaring. Komrij schmierde, satierde en hekelde er op los, en met zijn 19e-eeuwse deftigheid en lijzig nasale stemgeluid zocht hij in zijn voordrachten vaak de randen van de klucht. Veel mensen vonden dat het mooiste aan hem, zoals Jan Mulder. Die somde ook een reeks bekende smartlappen op die Komrij uit volle borst placht te zingen. Maar Komrij was vooral een belangrijk man voor de Nederlandse poëzie van vroeger en nu, waarvoor hij dan ook een eredoctoraat van de Leidse universiteit heeft gekregen. Dat is wat er van hem zal blijven.

Of zijn eigen poëzie de tand des tijds zal doorstaan, moeten we nog afwachten. Niet iedereen was er dol op en niet iedereen vond het meer dan rijmelarij. Het vasthouden aan strakke vormregels zoals bij het sonnet, maakte zijn taalvondsten vaak gekunsteld en gezocht. Zijn ironie en opzettelijke platvloersheid leverden gedichten op die in de ogen van critici een goed geslaagd sinterklaasgedicht niet altijd overstijgen. Een moment van inkeer of ontroering, dat menigeen zoekt in poëzie, blijft dan ook meestal uit, hoewel hij de grote thema’s van leven en dood nooit heeft geschuwd. Hieronder een sonnet uit zijn bundel 52 Sonnetten bij het Verglijden van de Eeuw, uitgegeven in 2000

WEERBERICHT

De zegen komt bij bakken naar beneden.
Er bliksemt welvaart uit de lucht. Er wordt
Een gouden regen uit een hemels Eden
Over de aarde en haar volken uitgestort.

Genade daalt als manna uit de wolken.
Het hagelt zilveren lepels en het plenst
Mascottes. Het Walhalla wordt gemolken.
Omlaag komt alles wat je hart maar wenst.

Een zeker heer krabt luizen uit zijn kop.
Een ander telt zijn paraplu-baleinen.
Een dame torst een wandelhoed met veer.

Een bochel zet zijn rooie badmuts op.
Een wijsgeer voelt zijn gladde schedel schrijnen.
Er is geen mens met aandacht voor het weer.