Rutger Kopland

door: Margriet de Koning Gans

En nu is Rutger Kopland ook al dood. Zijn gedichten zijn onvergetelijk, omdat ze zo eenvoudig en begrijpelijk te lezen lijken te zijn. Maar toch zijn ze nooit precies te onthouden, omdat overal onverwachte wendingen zitten die je aan het denken zetten, omdat hij altijd iets anders bedoelt dan hij zegt, en meer dan hij laat zien. Kopland zag in het Drentse landschap waar hij woonde en in de menselijke relaties, vooral de eeuwige cirkelgang van leven en dood. Toen hij jong was zag hij hem al aankomen in zijn kleine kinderen, later deed hij verslag van het verslijten en sterven van zijn ouders, en ten slotte liet de gedachte aan de dood van hemzelf en zijn tijdgenoten hem niet meer los. Het gedicht Jonge sla in september, dat overal is geciteerd bij zijn dood, is vooral zo ontroerend omdat jonge sla in september geen schijn van kans heeft om in het najaar nog uit te groeien tot een sterke, smakelijke, volle krop. De jonge sla is gedoemd een kort en kwijnend bestaan te leiden, dat nergens goed voor is. De vergeefsheid van dat prille leven stemt hem weemoedig en maakt dat ook de lezer een brok in de keel krijgt. Want wat voor jonge sla geldt, geldt dat niet voor iedereen?

Dat moment in het gedicht, de brok in de keel, is wat voor Kopland poëzie tot poëzie maakt, schreef hij in zijn essaybundel Het mechaniek van de ontroering. Hij zegt daarin ook dat de vergeefsheid de mens confronteert met de volstrekte leegte van het bestaan. Een moment van inzicht dat verontrust; iets waar je niet te lang bij stil wilt staan, maar wel even, om het je weer te herinneren. Er is dus ook altijd melancholie, of het nu in een wei met koeien is of onder een volgeladen appelboom. Altijd het besef dat het nu maar heel even is, en dat verleden en heden de toekomst al in zich dragen. Zoals dit gedicht uit de bundel Het orgeltje van yesterday, 1968